Onze eerste stop: een hotel in Duitsland, vier uur rijden van thuis. Midden in de natuur, zodat Casper niet te lang in de auto hoefde te zitten én wij even konden landen met een wandeling in het groen.
Toen we rond 15u aankwamen, leek alles vlot te gaan. We checkten in, Robbe haalde de spullen uit de auto (op strategisch bevel van mij), en ik gaf Casper borstvoeding met zicht op heuvels en bomen.
Idylle, dacht ik. Het voelde als een goede start.
Casper viel daarna snel in slaap. Ik haalde opgelucht adem. We kunnen dit.
Intussen deed ik al een wasje in de gootsteen van de badkamer– de spuugjes hadden de eerste tetradoeken al te pakken.
Op het zonneterras droogden de doekjes en body’s.
Na zijn dutje maakten we een kleine wandeling met de buggy. Casper keek nieuwsgierig rond, en wij genoten van het landschap.
Pas toen beseften we hoe druk het de voorbije dagen geweest was & beseften we: we zijn alles aan het regelen voor hem – maar euh, wat eten wij eigenlijk?
Met een klein hartje besloten we iets te eten in het restaurant. Robbe checkte bij aankomst of we last-minute nog konden aansluiten: geen probleem. Ook niet met baby.
Op de kamer gaven we Casper nog snel borstvoeding en gingen naar beneden.
Rond 18u30 zaten we aan tafel. We kozen een rustig plekje binnen. Het grootste deel van de gasten zat buiten, maar binnen was het koel en kalm. Dat was voor Casper het belangrijkste. Hij gedroeg zich echt voorbeeldig: op de arm bij mama, dan bij papa en even in de buggy.
Het restaurantpersoneel was ontzettend vriendelijk. Ze staken zelfs een kaarsje aan tussen ons in alsof ze wisten dat het al lang geleden was dat we een gezellig moment hadden.
Alles was goed gegaan: de rit, zijn dutje, het eten… Onze zoon van drie maanden leek moeiteloos mee te reizen.
Na het eten gingen we terug naar de kamer, klaar voor de nacht.
En toen…
(je voelt het al hé?)
begon het.
Casper – normaal even rustig als zijn papa – begon te huilen.
Niet een beetje. Niet eventjes.
Nee – drie uur lang.
Hij was moe, overprikkeld en overstuur.
We probeerden alles: witte ruis, wiegen, zingen, in bad, warme kleren, koude kleren, ingebakerd, borstvoeding, Digemel… alle mama-trucjes. Niets hielp. En het was oh zo warm op de kamer, zonder airco.
Na drie uur huilen kon ik als mama niet meer. Robbe was ook uitgeput. We zaten daar met z’n drieën, elk op ons eilandje. Als ouders voelden we ons op dat moment gefaald. Alle voorbereiding had in de realiteit geen effect meer. Wij wisten niet wat te doen om ons kind rust aan te bieden.
In een opwelling belde ik mijn vroedvrouw. Het was toen 23u30.
Ze kalmeerde me meteen: “Een kalme mama is een kalme baby.”
Ze herinnerde me eraan: alles is nieuw voor hem. Hij weet niet waar hij is, hij ruikt andere dingen, ziet andere lichten, voelt onze spanning.
Ik legde haar uit dat we alles mee hadden genomen: zijn eigen bedje, zijn dekentje, ongewassen, zijn knuffel, zijn geur van thuis.
Alles. Behalve zijn veiligheid, leek het..
Ze vroeg: “Heb je hem al in de draagzak gedaan? Of een autorit geprobeerd?”
Robbe stelde meteen de draagzak voor. Maar dat werkte niet — we gebruikten die thuis nooit om hem te kalmeren, dus dat was geen herkenbare troost. Dan maar optie twee: rondrijden.
Twee minuten. We zaten twee minuten in de auto en hij sliep als een roos. Zomaar. Alsof er niets was gebeurd.
Maar dan komt het volgende dilemma: je baby slaapt, maar zit nog in de maxi-cosi. En je moet naar een hotelkamer op de eerste verdieping waar alle lichten fel branden. We begonnen direct verder te piekeren: hoe doen we dit zónder hem wakker te maken? Maar beseften al snel dat we eerst moesten rijden, één slaapcylus van 45 minuten.
Robbe reed zonder bestemming. We belandden toen per ongeluk in Frankrijk. (Altijd fijn: Casper had nog eens een buitenlandtripje gedaan, zonder het te beseffen.)
Het belangrijkste was dat Casper zijn rust had, en kon herstellen van de intense afgelopen 4 uur.
Wij bleven intussen stil, met een traan (vooral ik).
Drie herten staken ons pad over tijdens de autorit. Daar zaten we dan. We moesten ook lachen: “Zó lang geleden dat we nog laat op stap waren.” We namen die tijd om zelf te herbronnen; Robbe is mijn rots. Mijn laadpaal. Als ik panikeer, blijft hij stil. Als ik val, vangt hij ons op. Dat is altijd al zo geweest, en dat is wat ons als koppel sterk maakt.
Na 30 minuten zette we de GPS richting het hotel, nog 20 minuten van het hotel — perfect voor de slaapcyclus. Ik durfde hem niet uit de auto te halen. Bang om het weer te verprutsen. Bang voor wat anderen zouden denken. Gelukkig kon Robbe zijn rust bewaren.
De overdracht naar de hotelkamer voelde als een militaire operatie: ik deed de deuren, Robbe nam Casper, ik deed het licht uit, Robbe legde hem voorzichtig in bed & ik hield mijn adem in
Hij bleef slapen.
Tot 7u ’s ochtends.
En wij? Wij werden af en toe wakker om te checken of alles oké was met onze oogappel.
Wat we leerden
Ik lach er nu mee, maar toen heus niet hoor.
Ik dacht dat ik alles goed voorbereid had. En dat klopte ook.
Maar je kunt het perfecte bedje meenemen, de juiste doekjes, de geur van thuis… en tóch overvallen worden.
Want een baby weet niet wat “vakantie” is. Alleen dat alles anders ruikt, voelt, klinkt.
Als ouder voel je je snel schuldig.
Je denkt: “Had ik het beter kunnen doen?” en “Had ik niet eerder in de auto gekropen?”
Maar het feit dat we beiden dicht bij Casper bleven, tijdens zijn ontwikkeling en ontdekking, was sowieso al voldoende.
*Mijn goudentip dat ik je wil meegeven*
Je bént geen slechte ouder als je kind blijft huilen. Je hebt niet gefaald en je hoeft het niet alleen te doen.
En als je zoals ik op een hotelkamer staat te huilen:
Adem. Bel iemand. Rijd een rondje.
En weet: het komt goed.
Een kalme mama is een kalme baby.
(En als het even niet lukt? Dan zijn er altijd nog herten, Frankrijk en een partner die een draagzak wil proberen.)
